Artikelen

Interview met neurowetenschapper David Ross

Psychiater David Ross, assistent-professor aan de Universiteit van Yale en medeoprichter van het National Neuroscience Curriculum, pleit al jaren voor een betere integratie van neurowetenschappelijke inzichten in de praktijk.

Hoewel het onderscheid tussen ‘biologisch’ en ‘psychologisch’ steeds meer vervaagt, stelde u in een recent artikel in het Journal of American Medical Association dat het gat tussen wetenschappelijk onderzoek en de psychiatrische praktijk nog relatief groot is. Hoe verklaart u dat?
‘Ten dele door de razendsnelle ontwikkelingen binnen de neuroscience, de laatste twintig jaar. Als het gaat om de conceptualisering ervan naar de patiëntenzorg toe, is er nog veel vertaalwerk te doen. Voor die ‘practice gap’ is ons vakgebied, dat zo geworteld is in het psychologische en sociale perspectief, medeverantwoordelijk. Het misverstand dat schizofrenie zou ontstaan door kille moeders die niet genoeg van hun kind houden, komt toch echt uit de koker van de psychiatrie. Er is een dringende behoefte om psychiatrische ziekten op een nieuwe, accuratere manier te beschrijven en uit te leggen.’
Waar komt uw hervormingszin vandaan?
‘Na het behalen van mijn phd in neurosciences, en voor ik overstapte naar de psychiatrie, deed ik onderzoek naar de effecten van muziek op het brein. Als je mensen hetzelfde muziekstuk laat luisteren hóren ze hetzelfde, maar ze interpreteren het totaal anders. Een vergelijkbare kwestie speelt ook in de psychiatrie: hoe kunnen we elkaar toch begrijpen: dat is de vraag die mij sindsdien bezighoudt. In 2008 kreeg ik de kans om mee te doen aan een programma van het National Instituut of Mental Health, geleid door Tom Mento, om ons vakgebied systematisch te hervormen. Ons doel was tweevoudig: de juiste mensen vinden die de leiding konden nemen in de neurowetenschappelijk en psychiatrische revolutie, en het creëren van ‘neuroscience literacy’ voor iedereen in ons vak. Die educatieve missie trok mij als docent enorm aan. Onze eerste focus was het curriculum van het medisch vervolgonderwijs aanpassen. Het materiaal dat we ontwikkelden, bleek uiteindelijk ook voor undergraduates interessant, alsmede voor artsen, psychiatrisch patiënten en hun families. Dat leidde in 2013 tot National Neuroscience Curriculum: een voor iedereen toegankelijk online platform waarin we artsen en studenten willen trainen de neurobiologische inzichten te integreren in de praktijk.’
In uw eigen instelling, Yale, is die missie, het verankeren van neurowetenschapelijke kennis in de opleiding Psychiatrie geslaagd. Hoe zit dat daarbuiten?
‘In Amerika zijn er nu 100 instellingen die ons met ons materiaal werken. Het online curriculum trekt bezoekers uit 140 verschillende landen. We werken intensief samen met vakverenigingen uit andere landen, zoals het Royal College of British Psychiatry.
Tegelijkertijd zijn nog altijd veel opleidingen die zich er te weinig mee bezig houden. En dan is er nog het gat tussen ‘klas’ en ‘klinische praktijk’. Met hun onderzoek op moleculair niveau, of bijvoorbeeld op dieren, staan neurowetenschappers vaak ver af van patientenzorg. Psychiaters op hun beurt zitten soms vast in hun eigen specialistische niche.’
Hoe bereiken die twee elkaar?
‘In elk geval niet door te doen alsof ze samen één community zijn. Wetenschappers en artsen leven in twee verschillende werelden. Ze denken anders en communiceren anders. En binnen hun eigen domein zijn de daar uiterst effectief in. We moeten een soort happy medium vinden. Ik heb met beide werelden veel met maken. Ik zie het als onze opdracht om cutting edge wetenschap te vertalen in begrijpelijke en toegankelijke informatie. En te laten zien waarom dat zo belangrijk is.’
U pleit voor een ‘paradigmashift’ in de manier waarop psychiaters patiënten benaderen.
‘Ik vind dat we psychiatrische aandoeningen nog meer als hersenziekte moeten ‘behandelen’.
De neiging om ziektes vanuit één psychoanalytisch en psychotherapeutisch model te verklaren en behandelen is nog steeds diep geworteld. Psychiatrische ziekten zijn, meer dan welke ziekte ook, sterk onderhevig is aan stigma: het idee dat het toch een beetje je eigen schuld is als je ziek wordt, dat je een zwak karakter hebt, is hardnekkig. We weten dat afhankelijkheid van opium, voor 50 % erfelijk bepaald is. De realiteit is dat wanneer je een hoge bloeddruk hebt, je veel meer in eigen hand hebt om die naar beneden te krijgen, dan dat je een verslaving onder controle krijgt. Mensen met een borderline stoornis worden nog te vaak slecht behandeld door ons zorgsyteem, terwijl we weten dat er vaak epigenetische mechanismen aan ten grondslag liggen, veroorzaakt door traumatisch ervaringen in de vroege jeugd. Stel je voor: jij gaat met maagpijn naar de dokter. Die constateert: jij hebt maagpijn. We weten niet hoe het komt, maar je moet er zelf voor zorgen dat het over gaat. Dat is toch vreselijk? We moeten veel meer uitleggen: dit is wat u mankeert, zo is het ontstaan, en zo gaan we proberen u beter te maken.’
U bent zelf de personificatie van een tolk die een brug slaat tussen de twee werelden waar u net over sprak. Hebben we niet gewoon meer tolken zoals u nodig?
‘Nee, het is juist onze missie dat neurowetenschappers en artsen elkaar beter verstaan, waardoor mensen zoals ik minder nodig zijn. Ik ben daar optimistisch over. De feiten spreken voor zich:
Wij hebben ieder jaar 16 opleidingsplaatsen voor onze opleiding. Een paar jaar terug kwamen daarvoor 700 aanmeldingen binnen: dat aantal is nu verdubbeld. Het percentage artsen dat voor psychiatrie kiest, is in de VS gestegen van 3,9 naar 5,2 procent. Ik ben ervan overtuigd dat de ontwikkelingen op neurowetenschappelijk gebied ons vak populairder hebben gemaakt. Terecht: neuroscience is fascinerend. In ons vakgebied gebeuren de coolste dingen, hier moet je zijn voor de actie!’
Het wachten is dus gewoon tot de nieuwe lichting studenten hun praktijk opent.
‘Dat is niet genoeg. Het gaat wel om een fundamentele verandering van ons vakgebied. Mijn ervaring is overigens dat ook de nu werkzame psychiaters hongerig zijn naar die nieuwe inzichten en hun kennis maar al te graag op peil houden. Het probleem is dat de ontwikkelingen zo snel gaan, dat we allemaal voortdurend achterlopen. Dat geldt voor alle medische specialismen. Het ontbreekt ons aan de juiste infrastructuur om cutting edge wetenschap te vertalen naar de praktijk.’
Met het online curriculum zijn jullie begonnen die aan te leggen. Wat zou nog meer helpen?
‘Het belangrijkste is dat we, allemaal, beter leren communiceren over wetenschap. Iets waar wij veel tijd aan besteden is wetenschappers te trainen hun onderwerp of vondst toegankelijk te maken voor een breed publiek. Onder meer met een soort mini Tedtalks, getiteld: this stuff is really cool, die je kunt vinden op de site. Die filmpjes, en ook onze animaties van één specifiek onderwerp of aandoening, worden zeer veel bekeken.’
Ik kan me ook voorstellen dat er mensen zijn die zullen zeggen: Tedtalk filmpjes, animaties, wat een modieus gedoe, moet dat nou echt?
‘Er zullen altijd mensen zijn die enthousiast worden van veranderingen in hun vak, en net zoveel die zich ertegen verzetten. Geloof me: ik ben psychiater, ik breng een groot deel van dag door met mensen die sceptisch zijn en zich verzetten. Daar is niks mis mee! Ik hecht eraan te benadrukken dat neurowetenschap het oldskool model van psychoanalyse en therapie niet hoeft te vervángen: ons model is inclusief. Hoe zorgen we ervoor dat we nieuwe basaal-wetenschappelijke inzichten zo goed mogelijk benutten voor de praktijk, dat we die onderdeel laten zijn van de behandeling en van ons vak. Het lijkt mij moeilijk iemand te vinden die daar tegen is. Dat is hetzelfde als zeggen dat de werking van het brein niet relevant is voor psychiatrie.’

(Dit artikel verscheen in De Psychiater, 2018)